- Fred de Vries is a writer, music fanatic and record collector living in the Western Cape

Excerpt Wiegelied

 

NEDERLANDS

Intro - Blues voor de witte man

Clarksdale, Mississippi. Het is vrijdagmiddag. Op zoek naar vermaak doorkruis ik het kleine stadje waar de blues brede spo­ren heeft getrokken. Ik beland bij de juke joint Red’s Lounge, een rommelige bar waar ’s avonds live muziek wordt gespeeld. Voor de deur raak ik aan de praat met een wat oudere zwarte man met witte loafers en een hoedje van stro waaronder grij­ze haren krullen. Hij stelt zich voor als McKinney, bijgenaamd ‘Bluesman’. Samen met zijn partner is hij op weg naar Jackson, de hoofdstad van Mississippi. Ze overnachten in Clarksdale in de hoop hier vanavond een paar dollar bij te verdienen door in Red’s op te treden. Eigenaar Red Paden, die zojuist naar buiten is gekomen, mompelt bij het horen van die plannen iets in de geest van ‘we’ll see’. Zijn juke joint heeft een reputatie hoog te houden en hij laat niet iedereen zomaar optreden. Bluesman lijkt aangeslagen. Om zijn humeur op te vijzelen koop ik zijn cd’tje dat hij in eigen beheer heeft uitgegeven. Vijf dollar voor twee liedjes, goeie deal voor Bluesman. Gul geeft hij er twee grote gesigneerde glimmende zwart-witfoto’s bij, een van zich­zelf en een van zijn metgezellin. Ik beloof dat ik vanavond zal komen kijken of hij inderdaad op het toneel staat.

Tegen achten sta ik weer voor Red’s. Ik gluur door de deur­opening. Er hangt een man of vier aan de toog, verder is het zaaltje leeg. Geen spoor van Bluesman. Ik keer om. Als ik 3rd Street insla hoor ik muziek. Voor de deur van een barretje in een verder uitgestorven straat hebben Bluesman en zijn part­ner een stoeltje en een versterker neergezet en spelen blues en soul voor een publiek dat bestaat uit de barman en de serveer­ster. Ik ga aan een krakkemikkig tafeltje zitten dat op de stoep is neergezet. Het is een warme avond, de schemering is ingevallen en er hangt een zoete geur in de lucht. In de bar verkopen ze bier in grote flessen. Bluesman groet me met een hoofdknikje, onderwijl onverstoorbaar doorspelend. De stemmen vlechten zich ineen. Eigen composities als ‘Hey Baby’ worden afgewis­seld met oude soulhits als ‘When A Man Loves A Woman’. Af en toe komt er iemand langs die een tijdje blijft luisteren, wat dollars in een plastic emmer werpt en dan weer doorloopt. Het voelt als 1966, toen de hitparade er met topnoteringen voor The Beatles, The Rolling Stones, Ray Charles, Supremes en James Brown wonderschoon uitzag.

Na een uurtje ga ik weer bij Red’s kijken. De boel is inmiddels op gang gekomen met Mississippimuzikant Terry ‘Harmonica’ Bean die een stuk of veertig toeschouwers vermaakt, allemaal wit, veelal mannen van middelbare leeftijd, muziektoeristen. Bean speelt harde elektrische blues, met veel mondharmoni­ca en eigenzinnig gitaarspel waarbij zijn rechterhand geregeld als een slang op de hals omhoog schiet. De muziek volgt niet het gebruikelijke bluesakkoordenpatroon van i, iv, v. En soms blijft hij minutenlang op hetzelfde akkoord hangen. Zou je zijn noten op muziekpapier willen uitschrijven, dan zou je al na twee maten stranden: geen vast ritme, geen vaste structuur, tonen die langs elkaar glijden om precies op het juiste moment neer te dalen en de songs voort te stuwen.

Rond middernacht loop ik de bar uit, Bean is nog niet uit­gespeeld. Een zwarte jongen komt op me af. Aangeschoten. Ik verwacht dat hij om een dollar gaat zeuren. In plaats daarvan begint hij als een jonge Otis Redding te zingen. ‘I left my home in Georgia, headed for the Frisco Bay.’ Ik zing mee: ‘Cause I had nothing to live for, looks like nothin’ gonna come my way.’ Hij ge­baart dat ik mijn mond moet houden. Hij gaat het liedje af ma­ken, niet ik. Als hij ‘watching the tide roll away’ heeft gezongen, omhelst hij me, en loopt weg met wat kleingeld dat ik hem in de hand heb gedrukt.

Ik wandel terug naar mijn pension. Het is doodstil in Clarks­dale. Maar als ik in de buurt van 3rd Street kom, hoor ik muziek en een hese stem. ‘When things go wrong, go wrong for you, it hurts me too.’ Het zijn Bluesman en zijn partner. Vroeg in de avond klonk het mooi en ontroerde het me, die twee zangers hier in die lege straat in dat historische bluesstadje. Na mid­dernacht heeft het iets omineus, die stemmen die hol weerk­linken in een uitgestorven plaatsje. Het gaat maar door. Ik voel me koortsig van de drank en de hitte. Ik sluit mijn ogen en zie flitsen uit een ver verleden. Afrika. Geesten van slaven, die hier diep in de Mississippi Delta ronddolen. Langwerpige schadu­wen van strange fruits die verstijfd aan bomen bungelen. De knetterende dreiging van brandende fakkels diep in de nacht. Eenmaal veilig in mijn bed in mijn pension, een blok verderop, kan ik de muziek nog steeds horen. ‘It hurts me too,’ klinkt het wegstervende refrein. Een wiegelied – een blues voor de witte man.

I Young Man Blues

De aanzet

‘Het Diepe Zuiden? Wat moet je daar nou,’ vraagt een New Yorkse vriendin als ik haar vertel over mijn plannen om een tocht te maken door South Carolina, Georgia, Alabama, Mis­sissippi en Louisiana. Ik kom met een omstandig betoog over de parallellen tussen de Zuidelijke staten van Amerika en mijn huidige domicilie Zuid-Afrika. Over de vergelijkbare geschie­denissen rond kolonialisme en slavernij, een vreselijke burger­oorlog en geïnstitutionaliseerd racisme, gevolgd door de strijd voor algemeen stemrecht en zwarte woede. En hup, alsof het allemaal niet genoeg is, noem ik ook onze Nederlandse hand in die geschiedenis, als slavenhandelaars en kolonisatoren.

Ze blijft stil. De nauwelijks waarneembare vouwtjes tussen haar ogen veranderen in rimpels. Okay, beken ik, ik ga in de eerste plaats vanwege de muziek. Ik wil naar de geboortegrond van de blues en alles wat daarna kwam. En ik vertel haar dat ik het boek dat ik daarna hoop te schrijven Blues for the White Man wil noemen.

In elk geval een goeie titel, zegt ze met een bemoedigend knikje, waarin ik ook de nodige ironie bespeur.

We bestellen margarita’s en klinken op mijn avontuur. De zon schijnt uitbundig, de straten van Manhattan zijn drukbe­volkt. Lente in New York. Iedereen ziet er ontstellend hip uit. Overal felle kleuren en gewaagde parfums. Zonnebrillen, nagel­lak, lippenstift, tatoeages, petjes, wit, zwart, Aziatisch, Latino, toeristen, locals, hipsters – Manhattan op zijn meest divers. We zijn langs de flagship stores van Prada en Apple gelopen, langs ontelbare bars en restaurants met rijen mensen die net als wij wat willen eten en drinken, en langs een galerie waar ik geruime tijd heb staan staren naar een zeefdruk van Damien Hirst. On­betaalbaar. Zij vond het sowieso niks. Maar, zei ze glimlachend, ze kon zich mijn enthousiasme voor die verzameling gekleurde cirkels goed voorstellen, want binnenkort zit ik tussen de racis­ten en armoedzaaiers in de culturele woestenij van Alabama en Mississippi.

Ik besluit in New York nog wat boeken te kopen, om mee te nemen op mijn tocht. Reisboeken, muziekboeken, iets over sla­vernij ook, en over de burgerrechtenbeweging, literatuur uit de regio. Aangezien het in Zuid-Afrika onmogelijk bleek om zelfs maar iets van James Baldwin te vinden, had ik me veel voor­gesteld van een rondgang langs de boekhandels in Manhattan. Maar het aanbod bij de enorme Barnes & Noble op 5th Avenue valt tegen. Zelfs kaarten van de regio blijken een probleem. Het enige boek dat ik koop is Between the World and Me, de bestsel­ler van Ta-Nehisi Coates over zwart zijn in Amerika.

Ik moet een kleinere en onafhankelijkere boekwinkel heb­ben. Crawford Doyle Booksellers is knus en uptown. Diepe Zui­den? De verkoopster kijkt me peinzend aan. Ze komt aan met werk van William Faulkner en Flannery O’Connor. Als ik zeg dat ik op zoek ben naar iets minder voor de hand liggends, haalt ze Paul Theroux’ Deep South tevoorschijn.

‘Pas verschenen,’ zegt ze verheugd.

Ik schud mijn hoofd. Heb ik al. Ze gaat bij haar baas te rade en komt terug met een reisboek waarin de auteur langs huizen van bekende zuidelijke schrijvers gaat. Ik bedank haar beleefd en loop naar de dichtstbijzijnde subway om 53 blokken noord­waarts te gaan. In de bescheiden boekenwinkel van het Schomberg Center for Research in Black Culture op Malcolm X Boulevard in Har­lem, vind ik nuttiger werken, ook al hebben de meeste weinig met het Diepe Zuiden te maken. Ik noteer opvallende titels: From #Black Lives Matter to Black Liberation en The Hip Hop & Obama Reader. In de bibliotheekcatalogus vind ik bovendien een boek dat We Will Shoot Back heet, over gewapend zwart ver­zet in Mississippi. Maar dat is uitgeleend.

De volgende dag ontbijt ik op Upper Broadway met Nicholas Lemann, die journalistiek doceert aan de Columbia Universi­ty iets verderop. Lemann, geboren en getogen in New Orleans, heeft veel over het Zuiden gepubliceerd, onder meer een boek over de Reconstructie, de twaalf jaar na de Burgeroorlog (1861-1865), toen de ex-slaven heel even medezeggenschap kregen in de politiek van het Diepe Zuiden, waar de Ku Klux Klan (kkk) en andere extremisten gewapenderhand een einde aan maak­ten. Het is een tijdperk dat conservatieve Amerikanen het liefst afwimpelen als een totaal mislukt experiment.

Hij praat en ik maak notities in een milieuvriendelijk noti­tieboekje met een kaft van kurk, speciaal voor deze reis aange­schaft. Ik schrijf: Reconstructie – Mississippi – Droom van een zwarte autonome staat.

Lemann heeft de pest aan clichés over de regio. Zo geeft hij in The New Yorker Paul Theroux en V.S. Naipaul ervan langs om­dat die in hun respectievelijke boeken Deep South en A Turn in the South de vooroordelen van een achterlijk stukje Amerika vol inteelt en schietgrage eenlingen bevestigen (Theroux), of om­dat ze de reactionaire witte redneck romantiseren en opkrik­ken tot primitieve held (Naipaul). Bovendien, meent Lemann, vervalt Naipaul in het stereotiepe beeld van het ‘wegrottende, pittoreske, hopeloos vergeten’ Diepe Zuiden, dat hij vergelijkt met delen van Afrika. Naipaul ziet het Zuiden als een regio met een geheel eigen identiteit, die grotendeels wordt bepaald door een dubbelloops geloof in God en het geweer, en die daarnaast structureel beschadigd is door de verloren Burgeroorlog en de slavernij. De Zuiderling is een gevangene van zijn eigen regio, afgesloten van de rest van de wereld, stelt Naipaul. Dat was hoe mijn New Yorkse vriendin dit stuk Amerika ook zag: anders, achterlijk en achtergebleven. Naipaul noch Theroux besteedt veel aandacht aan de muziek.

Ook Lemann is benieuwd wat ik in het Zuiden wil doen. Ik draai weer die riedel af van de vergelijkbare geschiedenissen van Zuid-Afrika en Noord-Amerika. Hij knikt. En ik vertel over mijn liefde voor de blues. Ik zeg dat ik gefascineerd ben door de regio waar vrijwel alle muziek die me raakt is ontstaan. Ik wil die plekken zien en ruiken, en de songs en hun vertolkers in een sociaal en historisch kader plaatsen, begrijpen waar het van­daan komt. Aha, zegt Lemann, en kijkt me een tijdje zwijgend aan. Blues for the White Man, zeg ik. Hij moet lachen. Net als Naipaul en Theroux is hij niet zo van de muziek. Of misschien vindt hij als man van New Orleans muziek de gewoonste zaak van de wereld, iets dat hem met een paplepel is ingegoten. Zoals wij land onder de zeespiegel heel normaal vinden.

In zijn essay over Theroux en Naipaul betoogt Lemann dat het Zuiden geen geïsoleerde regio is. Nu niet en vroeger niet. Het Noorden en het Zuiden hebben altijd een symbiotische relatie gehad. En de slavernij, die essentieel was voor de ontwikkeling van het Amerikaanse kapitalisme en de Britse industrialisatie in de negentiende eeuw, speelde daarbij een hoofdrol.

‘Het maakte van de Verenigde Staten een economische groot­macht,’ schrijft hij. ‘Engeland verbood slavernij in zijn kolonies in 1833, maar werd de grootste afnemer van een van de voor­naamste gewassen uit het Zuiden met zijn slavernij: katoen. De fabrieken van Manchester en Liverpool werden gebouwd om de Zuidelijke katoen in kleding te veranderen. Slavernij was, kortom, van cruciaal belang voor de industriële revolutie.’

En dat alleen het Zuiden de diverse schakeringen in huids­kleur gebruikt om mensen te classificeren en kwalificeren, is volgens Lemann eveneens een fabeltje. ‘Dat concept heeft zijn oorsprong in het Zuiden, maar is niet per se Zuidelijk. Het be­paalt nog altijd waar we wonen, hoe we spreken, hoe we onszelf zien, met wie we trouwen. De ideeën zijn diepgeworteld in de [Amerikaanse] wetgeving en de politiek, dankzij volkstellin­gen, politiebestanden en kiezerslijsten.’ Het Zuiden racistisch? Zwart en wit? Goed en slecht? Noorden en Zuiden? Die simpele tweedeling bestaat niet, aldus Lemann.

Pas op voor clichés, waarschuwt hij herhaaldelijk tijdens dat ontbijt van toast, eieren en koffie op Broadway. Wil je het Zui­den als racistisch afschilderen, dan zal je dat geen enkele moei­te kosten. Ga naar een gun show en je hebt je verhaal. Wil je de bevolking als achtergebleven portretteren? Makkie. Ga naar de binnenlanden van Louisiana of de Appalachen, en je zult ze moeiteloos vinden, hillbillies, rednecks en white trash. Betoog je dat er een nieuwe, snelgroeiende zwarte middenklasse ont­staat? Hup, vlieg naar Atlanta en je zit midden tussen de piekfijn geklede, strak gekapte zwarte ondernemers, hiphopsterren en acteurs. Blues bij uitstek zwarte muziek, en country bij uitstek wit? Lukt je ook moeiteloos. Stem gewoon af op de gemiddel­de commerciële radiozender, en alles is netjes naar huidskleur gerangschikt. Maar daarmee geef je een veel te beperkte weer­gave van the Southern thing. ‘Het Zuiden is anders, veelzijdiger, onmogelijk te vangen,’ zegt hij. Ik gebaar naar de ober voor de rekening.

Ik moet een mentale omschakeling maken, realiseer ik me als terugloop naar mijn logeeradres aan de andere kant van Cen­tral Park. We zijn volgepompt met stereotype ideeën over het Zuiden. Of dat nou de beelden zijn van brandende kruizen en witte Ku Klux Klan-puntmutsen in Mississippi Burning, de mis­handelde slaven in Twelve Years a Slave, de zoete zwarte wraak in Django Unchained, de moordzuchtige hillbillies uit True De­tective, of die sprankelende multiculturele bars in New Orleans uit de tv-serie Treme.

Ook in de muziek wemelt het van de simplistische menin­gen, denk aan Lynyrd Skynyrds ‘Sweet Home Alabama’ (fan­tastisch, dat Zuiden!), Neil Youngs ‘Southern Man’ (racistisch, dat Zuiden!) en Randy Newmans ‘Rednecks’ (problematisch, dat Zuiden!). Om maar niet te spreken van die eindeloze reeks countrysongs waarin een intense liefde voor de Apallachen of West-Virginia wordt beleden. En inmiddels de zwarte hip­hop‑en r&b-songs waarin ‘woke’ centraal staat en iedere zwarte wordt afgeschilderd als een slachtoffer van racisme.

Wij vreten ook het ultieme blues cliché: het beeld van een oude zwarte man, zo’n blues cat, op de veranda van een bouw­vallig houten huis, die zichzelf begeleidt op een rammelen­de gitaar met metalen snaren en zingt over illegaal gestook­te moonshine, zijn leven als overspelige back door man en de onweerstaanbare drang om zijn vrouw te vermoorden. Hoog­tepunt is de mythe van Robert Johnson, die in de buurt van Clarksdale zijn ziel aan de Duivel zou hebben verkocht, in ruil voor onnavolgbaar gitaarspel. Hij moest dat op jonge leeftijd met de dood bekopen.

Mijn liefde voor de muziek. Hoe is dat het beste uit te leggen? Kort door de bocht: zonder Amerika en zonder het Zuiden zou ik een ander mens zijn. Het Zuiden – en dat is een feit – is de ba­kermat van de blues, de jazz, de rock-’n-roll, de soul, de gospel, de country, de funk, van alle muziek die ik in de loop der jaren mooi ben gaan vinden.

Rock-’n-roll, noteert de Amerikaanse muziekschrijver Greil Marcus in zijn boek Mystery Train, is de belangrijkste gift van Amerika aan de rest van de wereld, de meest directe uiting van woede, opwinding, eenzaamheid, fatalisme en verlangen. Elvis Presley, Hank Williams, Robert Johnson, Louis Armstrong, Ja­mes Brown, Otis Redding, Little Richard – stuk voor stuk Zui­derlingen, allemaal ademen ze de vrijgevochten geest van rock-’n-roll uit. En daarbinnen is de blues een poging om een bevrijd leven te leiden, met melodieën en teksten die de ongrijpbaar­heid van de protagonisten – de vrijbuiters, de vagebonden, de criminelen, de rebellen – weerspiegelen. Blues is rauw en onbe­schaafd. De stem van de Duivel.

Je kunt die muziek niet begrijpen zonder het Diepe Zuiden proberen te begrijpen. En het omgekeerde is ook waar: zonder je in de muziek te verdiepen blijft het Diepe Zuiden een myste­rie. Daarom wordt muziek voor mij de kapstok voor deze reis.

ENGLISH

Intro - Blues for the white man

Clarksdale, Mississippi. It’s Friday afternoon. In search of entertainment, I cruise through the small town where the blues has left big marks. I end up at a juke joint called Red's Lounge, a messy bar that has live music at night. In front of the entrance I strike up a conversation with a middle-aged black man wearing white loafers and a straw hat, from beneath which, grey curls emerge. He introduces himself as McKinney, also knows as 'Bluesman'. Together with his partner, he's on his way to Jackson, the capital of Mississippi. They'll spend the night in Clarksdale, hoping to earn a few extra bucks by doing an impromptu gig at Red's. The owner of the juke joint, Red Paden, has just come out of the building, and mumbles something non-committal. He has a reputation to keep up and won't just open his stage to every Tom, Dick and Harry. Bluesman looks hurt. To improve his mood, I buy his self-released CD. Five dollar for two songs, not a bad deal for Bluesman. Generously he adds two big autographed black and white pictures of himself and his female companion. I promise that I'll come and check him out tonight.

Shortly before eight o’clock I'm back at Red's. I peek through the door. Apart from four guys at the bar, the place is empty. Not a trace of Bluesman. I turn around and walk back to town. When I reach 3rd Street, I hear music. Bluesman and his partner have placed a chair and an amplifier in front of the door of a small bar in the otherwise deserted street. They are playing blues and soul tunes for an audience that consists of the barman and a waitress. I sit down at a wonky table which has been placed on the pavement. It's a sultry evening, dusk has fallen, and a sweet fragrance fills the air. The bar sells half litre bottles of beer. Bluesman greets me with a nod, not missing a beat. The voices intertwine. Originals such as 'Hey Baby' are interspersed with old soul hits such as 'When A Man Loves A Woman'. Every now and then someone passes, stops to listen, throws a few dollars in the plastic bucket and walks on. It feels like 1966 when the hit parade was a wonderful place, with songs from The Beatles, The Rolling Stones, Ray Charles, Supremes and James Brown.

After an hour or so of watching Bluesman and sipping beer, I get up and make my way to Red's. Here things are more lively now, with Mississippi musician Terry 'Harmonica' Bean entertaining some forty people, all of them white, mostly middle-aged and male - blues tourists. Bean plays hard electric blues with generous helpings of harp. He's a very idiosyncratic guitar player, using his right hand to shoot up and down the neck like a snake. The songs don't follow the standard blues chord pattern of I, IV, V. Instead, he occasionally gets stuck on the same chord for minutes on end. If you'd wish to notate the songs on paper, you'd give up after two bars: no steady rhythm, no fixed structure, notes that glide past each other, to descend at exactly the right time to push the song along.

Around midnight I leave the bar, Bean is still playing. A black teenager walks up to me. He seems slightly drunk. Used to the South African situation, and the prejudices which spring from it, I expect him to ask me for some money, or pull a knife. Instead, he starts to sing like a young Otis Redding. 'I left my home in Georgia, headed for the Frisco Bay.' I sing along: ''Cause I had nothing to live for, looks like nothin' gonna come my way.' With a small but decisive gesture of his hand he tells me to keep quiet. He will finish this song, not me. When he has sung the line 'watching the tide roll away', he embraces me and walks away. With some change that I have put into his hand.

I wander back to my guest house. It's eerily quiet in Clarksdale. But when I draw nearer to 3rd Street, I hear music and a hoarse voice. 'When things go wrong, go wrong for you, it hurts me too.' It's Bluesman and his partner. Earlier that evening they sounded beautiful and touching, those two singers in this virtually empty street in this historic blues town. But at this pumpkin hour there's something ominous about it, those voices echoing in these deserted streets. And it just never seems to stop.

I feel feverish from the heat and the alcohol. I close my eyes and see flashes from a distant past: Ghosts of slaves who roam the Mississippi Delta; long shadows of strange fruits that hang from the trees; the menace of burning torches in the deep of the night. When I'm safely in bed in my guest house, one block down, I can still hear the music. 'It hurts me too', sounds the fading chorus. A lullaby - a blues for the white man.

I YOUNG MAN BLUES

1. The incentive

'The Deep South? Why on earth would want to go there', exclaims a New York friend when I tell her about my plans to make a massive road trip which will take me through parts of South Carolina, Tennessee, Georgia, Alabama, Mississippi and Louisiana. I come up with a somewhat jumbled explanation about the parallels between the southern regions of the United States and my current home, South Africa. About the comparable histories built around colonialism and slavery, a devastating civil war and institutionalised racism, followed by black anger and the struggle for universal suffrage. And, as if all of this isn't bad enough, I also throw the Dutch involvement in the mix, the Dutch as slave traders, the Dutch as colonists.

She keeps quiet. The barely visible creases between her eyes turn into small wrinkles. Ok, I confess, I’m going mainly because of the music. I want to visit the place where the blues was born, and everything that came after. And I tell her about the book I hope to write after the trip, and that I want to call it Blues for the White Man.

Well, that's at least a good title, she says with a nod and a touch of irony.

We order margaritas and raise our glass to my adventure. The sun is out, and the streets of Manhattan are bustling. Spring in New York. Everybody looks stunningly hip on this Saturday afternoon. The streets are teeming with bright colours and fragrances. Sunglasses, nail polish, lipstick, tattoos, caps, white, black, Asian, Latino, tourists, locals, hipsters - Manhattan shamelessly showing off its diversity. We have strolled past the flagship stores of Prada and Apple, past countless restaurants with long queues of people who, just like us, want to eat and drink, and past a gallery where I stared for some time at a huge, numbered print by Damien Hirst. Unaffordable, I muttered. She shrugged, she didn't like it anyway. But, she said with a smile, she did understand my enthusiasm for this pattern of coloured circles, because pretty soon I'd find myself among hillbillies, racists and rednecks in the cultural wasteland of Alabama.

I decide to buy a few book in New York, to take with me on my journey. I make a list. Travel books, music books, something about slavery too, and about the civil rights movement, literature from the region. South Africa had been very disappointing in that respect. Even works by the most famous black writer, James Baldwin, were hard to find. But I had high expectations of my visit to bookshops in Manhattan.

Sadly, there is surprisingly little on offer at the enormous Barnes & Noble store on 5th Avenue. Even finding maps of the region is a problem. The only book I buy is Between the World and Me, a best seller by Ta-Nehisi Coates about what it means to be black in America.

I guess I have to check out the smaller, independent bookshops. Crawford Doyle Booksellers is cosy and uptown. Deep South? The sales assistant looks at me, puzzled. Eventually she shows me works by William Faulkner and Flannery O'Connor. When I tell her I'm looking for something less predictable, she suggests Paul Theroux's Deep South.

'This has just been published,' she says, happy to be of help.

I shake my head. Somebody already gave it to me as a present. She goes to the back of the shop to chat to her boss and returns with a travel book in which the author visits the houses of southern writers. I shake my head, thank her for all her trouble and walk to the nearest subway to travel 53 blocks north.

In the small bookshop of the Schomburg Center for research in Black Culture on Harlem's Malcolm X Boulevard, I find more useful works, although they don't specifically deal with the Deep South. I jot down titles: From #Black Lives Matter to Black Liberation and The Hip Hop & Obama Reader. In the library catalogue I also find We Will Shoot Back, a book about black resistance in Mississippi. That's what I want! I fill in all the required forms and half an hour later I'm a member of the Schumberg Center's library. But when I file my request for the book, I get the message that it's out.

The next morning I have breakfast on Upper Broadway with Nicholas Lemann, a journalism lecturer at the nearby Columbia University. Lemann, born and bred in New Orleans, has published a great deal about the South, including a book about the Reconstruction, covering the twelve years after the Civil War (1861-1885), when the ex-slaves had a say in the politics of the Deep South. This brief window of equal rights was quickly closed by the Ku Klux Klan (KKK) and other armed supremacist groups. It's an era that most conservative Americans now happily dismiss as a failed experiment.

Lemann talks, and I make notes in an eco-friendly notebook made out of cork, which I've bought especially for this trip. I scribble: Reconstruction - Mississippi - Dream of a black autonomous state.

Lemann detests the clichés about the region in which he was born. A few months before our meeting, he wrote a book review for The New Yorker in which he chastised Paul Theroux and V.S. Naipaul because they, in their respective books Deep South and A Turn in the South, reaffirm all the stereotypes about the South as the backward bottom of America, full of inbreeding and trigger happy madmen (Theroux), or because they romanticise the reactionary white redneck and transform him into a primitive hero (Naipaul).

On top of that, Naipaul frequently falls into the trap of the stereotypical descriptions of the 'rotting, picturesquely hopeless, forgotten' Deep South, comparing it to parts of Africa. Naipaul sees the South as a region with its own identity, defined by the double barrel of a deep belief in the Bible and the gun, and structurally damaged by the lost Civil War and slavery. The Southerner is a prisoner of his own region, isolated from the rest of the world, claims Naipaul. This was also how my New York friend saw this part of America: different, retarded and left behind. Neither Naipaul nor Theroux pays much attention to music.

Lemann is of course curious about what I want to achieve in the South. I reel off the now familiar tune about the comparable histories of South Africa and North-America. He nods. And I tell him about my love for the blues. I explain that I'm fascinated by the region in which nearly all the music I love originated. I want to see and smell those places, and give the songs and the artists some social and historical context, understand where they come from. I see, says Lemann, and looks at me. Blues for the white man, I say. He laughs. Like Naipaul and Theroux he's not really a music buff. Or perhaps, as someone who was raised in New Orleans, he finds music just an ordinary part of life, something that he was spoon-fed to him from the day he was born.

In his essay about Theroux and Naipaul, Lemann postulates that the South is anything but an isolated region. Not now, and not before. The North and the South have always had a symbiotic relationship. And slavery, which was essential for the development of American capitalism and British industrialisation, played a major role. 'Slavery was what made the United States an economic power,' he writes in his piece for The New Yorker. 'It also served as a malign innovation lab for influential new techniques in finance, management, and technology. England abolished slavery in its colonies in 1833, but then became the biggest purchaser of the slave South’s main crop, cotton. The mills of Manchester and Liverpool were built to turn Southern cotton into clothing, which meant that slavery was essential to the industrial revolution.'

And the idea that it was only the South that used skin colour to classify and qualify people is also nonsense, writes Lemann. 'These tendentious categories have been nationalised for so long that they seem natural to nearly all Americans. They are Southern-originated, but not Southern. They powerfully determine where we live, how we speak, how we think of ourselves, whom we choose to marry. They are deeply embedded in law and politics, through the census, police records, electoral polling, and many other means.'

Beware of clichés, he warns me several times during our breakfast on Broadway. If you want to portray the South as racist, it's not going to be hard. Go to a gun show and you'll have your story. Do you want to portray Southerners as retarded? Easy. Go to the backwoods of Louisiana or the Appalachia, and you'll find them without much effort, the hillbillies, the rednecks and the white trash. Is your premise that a new, fast-growing black middle-class is emerging? Easy. Take a plane to Atlanta and you'll find yourself among smartly dressed, sharply cut black entrepreneurs, hip hop stars and actors. Do you see blues as the ultimate black music and country and western strictly as a white phenomenon? Not a problem. Just tune your car radio to your average commercial station and you'll find everything neatly categorised according to skin colour. But if you do that, your representation of the Southern thing will be severely limited. 'The South is different, multi-faceted, impossible to capture,' he says. I call the waiter and ask for the bill. 'It's on me,' I tell him.

I have to make a mental switch, I realise, as I walk back to the place I’m staying, on the eastern side of Central Park. We have been bombarded with stereotypical ideas about the South. Whether it's the images of burning crosses and pointy white Ku Klux Klan hats that you see in Mississippi Burning, the assaulted slaves in Twelve Years a Slave, the sweet smell of revenge in Django Unchained, the murderous hillbillies in True Detective, or the sparkling multi-cultural bars in New Orleans in the TV-series Treme.

In music, too, you'll find a plethora of simplistic statements. Just think of Lynyrd Skynyrd's 'Sweet Home Alabama' (hurray for the South!), Neil Young's 'Southern Man' (racist, that South!) and Randy Newman's 'Rednecks' (problematic, that South!). And than we haven't even started to look into the endless series of country songs in which the singer professes a deep, intense love for Appalachia or West-Virginia. And these days you'll find a limitless number of hip hop and r&b songs in which 'woke' plays a central role and every black person is portrayed as a victim of racism.

We also happily dig the ultimate blues cliché: the image of an old black man, a proper blues cat, on the veranda of a ramshackle house, playing a worn-out guitar with metal strings while singing about illegal brews, life as an adulterous back door man, or the irresistible urge to kill his wife. The highlight of this fantasy is the myth of Robert Johnson who, somewhere near Clarksdale, was supposed to have sold his soul to the Devil), in exchange for virtuoso guitar playing. And it cost him his life.

My love for music. Where to start? In a nutshell: Without America and without the South I would have been a different person. The South - and that's fact - is where the blues was born, and jazz, and rock 'n' roll, and soul, and gospel, and country, and funk, all the music that I have grown to love through the years.

Rock 'n' roll, notes American music scribe Greil Marcus in his book Mystery Train, is the most precious gift of America to the rest of the world, the most direct expression of anger, excitement, loneliness, fatalism and desire. Elvis Presley, Hank Williams, Robert Johnson, Louis Armstrong, James Brown, Otis Redding, Little Richard - all of them Southerners, and all of them representing the free spirit of rock 'n' roll. And within this world, blues is an attempt to live a liberated life, with melodies and lyrics that reflect the elusiveness of the protagonists - the vagabonds, the delinquents, the rebels. Blues is raw and uncivilised. It's the Devil's voice.

You cannot understand that music without trying to understand the Deep South. And the reverse is equally true: Without diving into the music, the Deep South remains a mystery. That's why music will be my guide book for this journey.

***

I remember exactly when I started to listen to pop music. It was 1970, I was eleven years old and and had been given a transistor radio for Christmas. I tuned in to Radio Veronica, a pirate station that broadcast from a ship on the 192 meters frequency. My parents had gone out shopping and I listened one Saturday afternoon to the Top 40. It happened to be an excellent pop year. I heard Shocking Blue, Golden Earring, Black Sabbath, Deep Purple, Creedence Clearwater Revival - and I was sold. Loud guitar rock became my thing.

My relationship with black music was more complicated. I grew up in Rotterdam in the 1970s. Current words such as 'foreigners', 'immigrants', 'asylum seekers', 'muslims' were not common when I went to primary school. What you did hear was 'guest workers'. First, those guest workers were Italians. Not many people took offence at them. Then came the Turks. We, meaning the generation of my parents, had recruited them from the least developed parts of the country. They had to do the dirty work which we didn't feel like doing any more, or for which we felt we were too highly educated. The idea was that once these people had earned enough money, they would return to their country of birth. Hence the term guest workers. Well, that didn't happen, which resulted in the 'Turkish issue’ (and later, because we hadn't learned, the 'Moroccan problem').

It was around this time that Rotterdam experienced its 'Turk riots'. These disturbances, which took place in the summer of 1972, happened in the Afrikaanderwijk, a poor neighbourhood with streets named after Boer War Afrikaner generals and politicians. I vividly remember the black and white images of this 'explosion of popular anger': bulky Rotterdammers who forced their way into the cheap workers' houses and started throwing furniture and other household goods from the second floor. The Turkish inhabitants stood by and saw belongings crashing onto the pavement. I was thirteen and felt a great discomfort and injustice. I didn't understand the reason behind this anger (later I read that the people in the neighbourhood were sick and tired of what they saw as the overcrowded, filthy, badly maintained Turkish pensions), but I did empathise with the Turks, who were brought here into this strange land and had to watch as their belongings were smashed to bits. From then on, I perceived those rigid men and women in my home town differently. And at home I listened to the latest singles by Free and Ten Years After. Loud white blues rock. It suited the city and its problems. It was the silent protest of a 13-year-old.

I was raised by parents who always voted Labour. My mother saw herself as tolerant and progressive. Particularly when it concerned gays. My father wasn't too keen on gays, which may have been the result of his attending a Catholic boarding school. He invariably got furious when I asked about the relationship between the priests and the students.

What did surprise me, though, certainly when I attended high school and got a better understanding of the world, was the feeling of superiority of my parents, fuelled by the social and economic hierarchy of the time, in which the working class occupied a very low spot and people looked up to those who had gone to university. Following that classification, we didn't belong to the top tier, because my parents hadn't been to university, but we were definitely part of the middle-class. So we ranked higher than the workers, who in turn ranked higher than the 'foreigners', i.e. the Turks, the Moroccans and the Surinamese who had emigrated from our former colony Surinam, near Brazil.

As a teenager I had huge difficulties with these generalisations; we were all equal and our culture wasn't superior. Right? Now, forty years later I understand it better, at least I understand my parents better. They were both born in the nineteen-twenties. My mother came from a 'red' (read Socialist) background and grew up in a small village in the south-west of the country, close to Belgium. She finished high school and then moved to Rotterdam where she found work as a secretary. My dad was born and raised in Rotterdam and, after his parents separated, attended a boarding school and joined the merchant navy when he was sixteen. Once back in Holland after the war, he found a job as a clerk with a shipping company.

Those must have been strange days. First the Second World War, then the grim fifties In bombed-out Rotterdam, this was an era completely dedicated to the idea of 'let's roll up our sleeves and rebuild the city'. And then, from the sixties onwards, came the fast changes. While the population of Rotterdam became increasingly dark and non-Christian, the old squabbles between Socialists, Catholics and Protestants were replaced by a different kind of tension, which was defined by skin colour and religion. My parents adjusted as much as they could….